De Tweede Wereldoorlog in Sint-Genesius-Rode

Tekst geschreven door: Marc Hindrijckx

De geallieerden hebben Lembeek op 3 september 1944 bereikt en rukken verder op naar Sint-Genesius-Rode

Bronnen:

  • Christian Nekkebroeck, Patrick De Vroom, Lieve Vansumere en Pierre Depessemier

  • Belgisch Staatsblad

  • De laatste 242 / Elise Rezöhazy, Dimitri Roden, Stanislas Horvat & Dirk Luyten

  • Doelwit: Leuven / Cynrik De Decker & Jean-Louis Roba

  • Geschiedenis van Sint-Genesius-Rode (1960) / Constant Theys

  • Geschiedenis van Sint-Genesius-Rode (1982)/ Constant Theys, Fernand Vanhemelryck & Urbaan De Becker

  • Het dienstmeidje van Degrelle / Simone Krokus

  • Le Folklore Brabançon juin 1993 N° 277 / Albert Van Lil

  • Seniorenkrant OCMW Sint-Genesius-Rode; maart 2024, april 2024, mei 2024, juni 2024 (artikels van Lieve Vansumere)

  • Van onze jongens geen nieuws / Karel Strobbe, Pieter Serrien & Hans Boers

  • Vlaamse soldatengraven in Lommel / Wim Winkeler

De mobilisatie


Op 1 september 1939 vielen troepen van de Duitse Wehrmacht Polen binnen. Dit leidde op 3 september 1939 tot een oorlogsverklaring aan Duitsland door het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Ons land begon zich voor te bereiden op een mogelijke oorlog met Duitsland. Sinds 25 augustus werd er in fasen gemobiliseerd.

In september 1939 was er te Sint-Genesius-Rode van de mobilisatie van het Belgische leger al het een en ander te merken. Op zondag 3 september legerde er een Belgische artillerie in De Hoek. Bij pachter Jan Van Cutsem waren zeventig paarden gestald met 7 mm geschut, met als opschrift “Campagne 1914-1918 Veldtocht”. Zij kwamen van Lier en werden eerst opgesteld op Hof ten Berg, waarna zij verplaatst werden naar Waterloo. Twee dagen later arriveerden aan het station een twintigtal voertuigen waarvan sommige beladen met prikkeldraad, schoppen en houwelen. Op zondag 10 september maakten Belgische soldaten vier mitrailleursnesten in de weide tussen het Hof van Aerts en Sint-Anne. Op vrijdag 29 september trokken de Belgische troepen er weg.

 

De achttiendaagse veldtocht en de vlucht


Op 10 mei 1940 was het dan zo ver. Zeer vroeg in de ochtend ging de Duitse Wehrmacht over tot de aanval van het Westen. Vier Rodenaren sneuvelden, op de eerste dag van de oorlog in België, bij de Duitse inval aan het Albertkanaal. Robert Swalens, Jules Springael, Marcel Renaer en Adjudant Albert Froment.


Op maandag 13 mei 1940 werden in alle steden en gemeenten van het land, de mannen van 16 tot 35 jaar opgeroepen om zich spoedig en langs de kortste weg, bij het Oproepingscentrum van de wervingsreserve (CRAB) van het Belgische leger in Roeselare te vervoegen. Wie hier niet op in ging, werd beschouwd als deserteur en zou door de Rijkswacht worden aangehouden. Hun aantal wordt geschat op meer dan 300.000.


Bij Jozef Stoffels, die in de Rollebaan te Sint-Genesius-Rode woonde, werd er op dinsdag 14 mei 1940 om 19u45 aan de voordeur van zijn ouderlijk huis gebeld. Twee Rijkswachters overhandigden Joseph een oproepingsbevel om zich naar het rekruteringscentrum van het Belgische leger te Roeselare te begeven. Joseph was op dat moment 16 ½ jaar oud. Hij vertrok ’s anderdaags om 7 uur, samen met zijn kozijn Frans en buurjongen Pierre Denayer met de tram naar Brussel, maar er reden geen treinen meer. Dus werd het liften richting Roeselare, maar in de buurt van Ronse vernamen ze dat ze rechtsreeks naar Frankrijk moesten. In Ronse konden ze toch op een trein geraken die hen naar Kortrijk bracht. Vandaar bracht de, overbevolkte trein hen naar Frankrijk. Op zondag 25 mei bereikten ze eindelijk hun bestemming, het kamp van Agde, in de buurt van Montpellier. Dit was een houten barakkenkamp, waar ze met 60 man, als haringen in een ton lagen, zo ongeveer 60 cm per man was er voorzien. Ze sliepen op planken waar stro werd opgelegd dat vol vlooien stak. Ze kregen er nauwelijks eten of water. Het brood kwam uit België en was al beschimmeld als het in het kamp toekwam. Er was geen hygiëne en velen werden er ziek en er was nauwelijks medicatie voorhanden. Uiteindelijk hebben ze er nooit iets gedaan en op donderdag 1 augustus werden ze op de trein, een goederenwagon, naar België gezet. Op zondag 4 augustus kwam Joseph, fel vermagerd en met een gehavend en vuil kostuum terug thuis. Zijn moeder herkende hem bijna niet meer. De CRAB’s werden door de militaire overheid gedwongen om zich naar Frankrijk te begeven, maar kregen geen statuut met een gelijke waarde als dat van het leger. Zij waren geen soldaten, maar stonden in het kamp wel onder militair bevel, de militaire wetten werden er voorgelezen, dagelijks was er appel en kregen ze cachot bij overtreding. Soldij kregen ze niet, kledij of andere noodzakelijke benodigdheden evenmin en praktisch ook geen eten of drinken. Gewone burgers waren ze ook niet, want ze waren opgesloten in een bewaakt kamp door vreemde soldaten van alle slag, 24 uur op 24 uur.

 

Op dinsdag 14 mei trok de 3e compagnie Genie-Arbeiders door Sint-Genesius-Rode. Ze kwamen van Mont-Saint-Guibert en gingen naar Sint-Martens-Bodegem. Het 2e regiment Grenswielrijders vertrok diezelfde dag, rond 17 uur vanuit Charleroi naar de Grote Hut. De soldaten waren compleet uitgeput. ’s Anderdaags mochten ze tot 17 uur uitrusten, om daarna naar Wemmel te vertrekken. In de ochtend van 15 mei bereikte het 2e Ardeense Jagers Sint-Genesius-Rode. De volgende nacht vetrokken ze richting Ninove.

 

Tijdens de nacht van 16 op 17 mei trokken de Engelse soldaten door Rode. Deze hadden hun stelling te Wavre verlaten en waren op weg naar Duinkerke om vandaar naar Engeland te evacueren.


C.M. Charles Stevenson uit Edinburgh (Schotland) van het Royal Scots Regiment overleed aan zijn verwoningen in onze gemeente. In het goed van de heer P. Thielemans, aan de Brassinelaan, werd hij later ontgraven en nadien op het ereplein van de gemeentelijke begraafplaats bijgezet. In een fles, die bij het lijk lag, lag ook een briefje met het opschrift: Piper Stevenson, Charles. 1st Bn. Royal Scots, Religion Pres. Died of wounds on 16-05-1940.

De Engelse poging om de spoorwegbrug van De Hoek op te blazen, draaide uit op de vernieling van één boog en ook van de waterleiding. Op 16 mei werd de Grote Hut getroffen door een zware bom bestemd voor de munitie opgestapeld in het bos. Daken en ruiten moesten eraan geloven.

Op 17 mei haalde het bestuur van de luchtvaart een aantal instrumenten op uit het aeronautisch laboratorium Von Karman, die werden overgebracht naar Raversijde.

 

Tijdens die nacht hadden Engelse officieren zich aangemeld bij burgemeester Straete. Zij drongen aan op de snelle evacuatie van Rode. Het gemeentebestuur vaardigde het bevel uit tot verplichte evacuatie. Weldra was er haast geen mens meer in de gemeente. Sommige Rodenaren kwamen echter tijdens de vlucht om het leven of werden gewond door de vijandelijke aanvallen en bombardementen.

De in Rode geboren Maria Deneef werd op 16 mei het slachtoffer van het bombardement door de Duitsers aan het Hallerbos. Maria werd letterlijk verkoold.

Felix Octave overleed op 26 mei te Oekene. Op 26 en 27 mei waren er te Oekene hevige gevechten tussen de Belgische soldaten met de oprukkende Duitsers.

De vijfjarige Lucienne Heymans werd het slachtoffer tijdens de vlucht, één dag na de capitulatie van België, toen een granaat insloeg in een huis in de Abeelsesteenweg 99 te Poperinge. De Duitsers bereikten Poperinge op 29 mei in de namiddag en er werd nog heftig strijd geleverd met de Engelsen, waar Lucienne het slachtoffer van werd. Ook haar grootmoeder Catharina Michiels en een vriendin Maria Ruys kwamen hierbij eveneens om het leven. Ze werden op 29 mei te Poperinge begraven. Ze werden met de andere slachtoffers met een stootkar naar het kerkhof gebracht, waar de lichamen van de overledenen in een gezamenlijk graf werden begraven.

Maria Ruys had voor ze op de vlucht vertrok blijkbaar een voorgevoel over de afloop en schreef ze, terwijl de tranen over haar wangen rolden, een brief voor haar kinderen (haar twee zonen Julien en Albert waren aan het front en haar dochter Julienne vertrok met haar mee op de vlucht) en legde hem onderaan in een lade. Ze had in januari ook nog maar pas haar echtgenoot verloren. Op de omslag schreef ze “Dat de goede God deze brief nog in uwe handen zou laten komen”. De brief begon met “God zegene mijne kinderen. En dat deze brief door hen nog zou mogen gelezen worden, hij is met een verscheurend hart geschreven en breekt alle dagen voor u beide van droefheid? Mijne lieve kinderen uwe moeder verlangt dat ge alles schoon verdeelt en altijd te samen in vrede leeft met elkander. Ik zal de goede God alle dagen bidden om dat hij u beiden zou bewaren en dat gij het geluk zoud hebben om mogen kloek en gezond weder te komen en indien gij uwe moeder en zuster niet meer vindt bid dan elken dag voor ons beide een weesgegroetje omdat ge later met hen nog eens zou komen daarboven in den schonen hemel”.  Haar dochter Julienne Moonens werd zwaargewond aan buik en benen. Ze werd meteen naar het ziekenhuis van Poperinge gebracht, maar werd meteen teruggestuurd omdat men dacht dat ze het toch niet zou overleven. En er was toch geen plaats meer in het ziekenhuis. ’s Anderdaags werd ze opnieuw naar het OLV ziekenhuis gebracht en kreeg ze er toch een plaats. Ze verbleef er nog gedurende vier maanden voor verzorging.

Victor Dillens kwam om het leven in de Liefjesstraat 2 te Koksijde en werd begraven te Koksijde. Op zijn doodprentje staat “door de oorlog van zijn leven beroofd”. Tussen 25 mei en 4 juni 1940 was er de operatie Dynamo, die de Britse troepen van uit het Duinkerke evacueerden. Deze operatie werd fel aangevallen door de Duitse vliegtuigen. Op 30 en 31 mei vielen er te Koksijde tijdens de bombardementen meerdere slachtoffers.

 

In overleg met zijn Stafchef en na verwittiging van de Franse en Engelse bondgenoten besloot Koning Leopold III op 28 mei tot overgave van het Belgische leger. Maar liefst 225.000 Belgische militairen zouden in krijgsgevangenschap naar Duitsland vertrekken. Iets meer dan 105.000 Vlaamse militairen werden reeds voor april 1941 gerepatrieerd, een gunst die niet verleend werd aan de minder Germaanse Franstalige Belgen, hoewel een mondje Vlaams spreken ook voor hen soms wonderen deed.

 

Tijdens de Achttiendaagse Veldtocht sneuvelden de volgende soldaten uit Sint-Genesius-Rode:

  • Korporaal Emile Van Der Donck: Overleden 20 mei te Buigny-Saint-Maclou.

  • Sebastien Godeau: Overleden 24 mei te Waarmaarde.

  • Rudolf Brancart: Overleden 26 mei te Wielsbeke.

  • André Michiels: Overleden 26 mei in het militair hospitaal van Berck (Frankrijk).

  • François Popleu: Overleden 27 mei te Woumen.

  • Majoor Gustave Blondel: Overleed na de capitulatie op 23 juli als krijgsgevangene te Fallingbostel (Duitsland).

Het juist aantal opgeroepen soldaten uit onze gemeente is niet bekend, maar na de capitulatie melden er zich 323 aan in het gemeentehuis.

Onder hen ook Jean Figeys. Jean moest de Duitsers tegenhouden aan het Albertkanaal. Het was een oneerlijke strijd, ze moesten strijden met oude geweren, tegen een modern uitgerust oorlogsmachine. De veiligste weg was vluchten. Op de terugweg kreeg hij burgerkledij van de bevolking en werd hij aangeraden om de grote assen te vermijden en langs landwegen terug te gaan naar huis. Op de radio werd nog altijd doorgegeven dat onze dappere soldaten standhielden, maar de Duitsers zaten ondertussen al in Brussel! Bij zijn thuiskomst was zijn familie nog op de vlucht en was ook zijn varken gestolen.

 

Op 29 mei 1940 bevonden zich in een veld in de Rodense wijk Ten Broek ongeveer 1300 Belgische krijgsgevangenen, geleid door de Duitsers. Mensen brachten hun brood, koffie en bier. De Duitsers verboden dat laatste te geven. Vanaf 30 mei kwamen er veel soldaten en vluchtelingen terug naar hun thuis.

Jean Figeys

Duitse bezetting in Sint-Genesius-Rode


Meerdere vooraanstaande Duitsers, waaronder de SS-Gruppenführer en Generalleutnant in de politie Richard Jungclaus, verbleven in de villawijken, tegen het Zoniënwoud, in Sint-Genesius-Rode.

In de Ahornlaan was er, in het goed van Robert Thys, een Duits militair ziekenhuis voor Duitse militairen die aan de beterhand waren. Het Duitse leger bezette ook het Von Karman instituut. Tussen de Sint-Annalaan en de Zonnebloemlaan was er een kleine landingsbaan. Deze was te kort voor de Duitse vliegtuigen en werd gebruikt voor kleinere Italiaanse Marchetti vliegtuigen. In het kasteel van Alexis Van Opstal, nabij het station, verbleven Italiaanse soldaten. De Italiaanse piloten volgden niet zo strikt de orders, onze knappe grootmoeders mochten af en toe eens meevliegen boven het Zoniënwoud, we vermoeden gratis? Rex-leider Leon Degruelle woonde in de Lorainedreef te Ukkel en ging naar de Kerk van de Middenhut.

Italiaanse soldaten op stap in Rode

De Duitse Piloot Kart Albrecht stortte op vrijdag 14 februari 1941, met zijn Messerschmitt Me Bf-109 E4 neer aan de Kleine Hut, op het grondgebied van Sint-Genesius-Rode. Bij een lokale vlucht vloog hij, bij slecht weer, te laag en raakte de grond. Het toestel was volledig vernield en Hans kwam om het leven.

Peter Pelgrims, een Belgische Schütze SS-Ersatzkommando Flandern und Wallonien, werd door eigen mensen, per ongeluk, neergeschoten tijdens zijn wachtdienst aan de privaat villa van Richard Jungclaus in de villawijk van de Middenhut.

 

Eind oktober werd het comité Winterhulp opgericht. Deze organisatie die aan de bevolking kolen en voedingsmiddelen moest uitdelen, stond in Rode onder de leiding van graaf Philippe de Jonghe d’Ardoye. Ook was er het comité voor Hulp aan de Krijgsgevangenen van Rode, met als voorzitter Jacques Wets en als secretaris Jozef Albert Trochs.

Op 12, 13 en 14 april 1941 werd op het kasteeldomein, Hof te Ingendael, van de collaborateur Léon Brunet het eerste grote openluchtkamp van de Jeunesse Rexiste Masculine georganiseerd. Niet minder dan 500 jongeren kwamen er opdagen. Het pinksterweekend stond nagenoeg helemaal in het teken van de paramilitaire opleiding. Sport en driloefeningen werden afgewisseld met kilometerslange marsen.

 

In 1942 werd burgemeester Georges Straete vervangen door de Jan Fellemans, gekozen door de Duitse overheid. Straete kreeg zijn functie pas terug in september 1944.

Het Verzet in Sint-Genesius-Rode


Op 24 november 1940 kondigde burgemeester Straete in de gemeenteraad aan dat hij reeds herhaaldelijk het bezoek had gekregen van Duitse officieren, die er hem op wezen dat al driemaal de telefoonkabels op de steenweg naar Braine-l’Alleud waren doorgesneden. Meermaals werd de spoorweglijn gesaboteerd.

Begin 1942 richtte Pierre Belen te Sint-Genesius-Rode de weerstandsgroep “Beaver batton” op. De weerstandcel heeft te Rode echter nooit gewerkt, want in de zomer van 1942 kwam een lijst van 35 personen, waarop ook Pierre Belen stond, in de handen van de Duitsers. Pierre Belen werd op 3 augustus 1942 op zijn werk te Brussel aangehouden door de Gestapo en werd opgesloten in de gevangenis van Sint-Gillis.

Pierre Belen

Op 3 november 1942 volgde de deportatie naar Duitsland waar hij vervolgens werd opgesloten in meerdere kampen, om begin februari in het concentratiekamp van Buchenwald te belanden. Op 31 juni 1945 kwam hij na drie jaar afwezigheid, terug te Rode en werd hij herenigd met zijn gezin.

 

Raoul Botte was Secrétaire Général de la Défense du Peuple, een anti Joodse organisatie. Hij voerde propaganda voor het Waals Legioen, NSKK enz. Hij gaf redevoeringen om Waalse mannen te overtuigen om zich aan te sluiten bij het Waals Legioen, om in het Oosten het Bolsjewisme te gaan bestrijden. Zijn redevoeringen waren vooral tegen de Joden gekant. Op 23 september 1943 nam hij vanuit zijn woonplaats Petit-Roeulx nabij Nijvel de trein naar zijn werk te Brussel. Eenmaal daar aangekomen werd hij met geweld in een auto gesleept, die nadien stopte aan de rand van het Zoniënwoud, aan de Brassinelaan te Sint-Genesius-Rode. Botte kreeg er een nekschot terwijl hij in de berm van de weg zat. Het lijk werd bedekt met takken en er was geen enkel spoor van de daders.

 

Enkele Rodenaars of personen met roots te Rode hadden de pech te zijn opgepakt en kwamen om het leven in concentratiekampen in Duitsland.

E.H. Maurice De Backer +29/08/1942 Dachau (Duitsland)

Vanaf 1939 was Maurice pastoor in de parochie Onze-Lieve-Vrouw Oorzaak onzer Blijdschap op de Middenhut te Sint-Genesius-Rode.

De Rex leider Leon Degrelle woonde op dat moment in de Lorainedreef te Ukkel. De zus van Leon woonde vlak bij de kerk van de Middenhut en was zeer katholiek. Zo ging Leon ook naar de mis in deze parochie en deed dit soms in zijn naziuniform. Nochtans was priester Maurice De Backer een echte patriot met een radde tong, wat niet altijd aanstond aan Degrelle.

Op 8 augustus 1941 werd hij door de Duitsers, thuis aangehouden, omdat er illegaal drukwerk bij hem was ontdekt. Hij verwachte die morgen Leon Degrelle die, die dag met het Légion Wallonie naar Duitsland vertrok en eerst nog eens bij de priester wou komen biechten. Maar nog voordat Degrelle was aangekomen, stonden er plots drie Duitse Gestapo soldaten aan zijn deur. Eén van hen sprak tot de priester “u wordt ervan beschuldigt van in uw kerk tegen de Duitse autoriteiten te hebben gepredikt”.

Bij de uitzoeking vonden ze op het bureau van de priester een exemplaar van de Vlaamse verzetskrant ‘De Waarheid’ en in een boekenrek, tegen het raam, een pak met vijftig pamfletten ‘openbrief aan de Duitsers waarom we ze barbaren noemen’. Degrelle kwam zoals afgesproken biechten bij de priester en vertrok nadien naar Duitsland. De drie Gestapo ’s hadden geen medelijden met de pastoor en brachten hem naar de gevangenis van Sint-Gillis.

Van de gevangenis van Sint-Gillis werd hij naar het concentratiekamp van Sachsenhausen, Oranienburg, in Duitsland, getransporteerd. Op 3/2/1942 werd hij overgebracht naar het verschrikkelijke kamp van Dachau, waar hij op 13/2/1942 aankwam. Zijn lichaam was te zwak om de folteringen en de zwaar opgelegde dwangarbeid te doorstaan. Zijn fijne geest heeft te veel moeten lijden onder de beledigingen die hem steeds werden aangedaan. Hij overleed er op 29 augustus 1942 in een gaskamer. Hij werd als pastoor in de parochie van de Middenhut opgevolgd door zijn broer Henri.

Graaf Pierre d'Alcantara de Querrieu +14/10/1944 Oranienburg (Sachsenhausen) (Duitsland)

Hij trouwde op 22/7/1933 te Brussel met Prinses Stéphanie van Windisch-Graez (°1909/+2005), een achterkleindochter van koning Leopold II. Ze woonden in de Middenhutlaan te Sint-Genesius-Rode.

Pierre was Graaf en lid van de hofhouding van Koning Leopold III. Als lid van de hoogste adel in België weigerde hij samen met Amaury de Mérode om de tweede vrouw van Koning Leopold III te aanvaarden als Prinses van België. Hij was dokter in de rechten en nam deel aan de 18-daagse veldtocht als reserve Luitenant bij de Grenadiers. Vanaf eind juni 1940 sloot hij zich aan bij de hergroepering officieren van zijn regiment dat in het Verzet (Geheim Leger) ging. Deze groep van officieren stond onder de leiding van officier Van Kaeckenbeeck.

Pierre d’Alcantara de Querrieu

Huwelijk van Pierre met Prinses Stéphanie

De Graaf organiseerde de maandelijkse geheime bijeenkomsten in zijn woning. Langzaam groeide de verzetsgroep uit tot enkele honderden militairen onder de leiding van enkele adellijke officieren.

Na een ongelukkige brand in de magazijnen van de Grenadiers ontdekte de Gestapo onregelmatigheden bij een officier. Begin augustus 1942 werd bij een huiszoeking bij één van de officieren het volledige organigram door de Duitsers ontdekt en werden de meeste erop vermelde officieren gearresteerd. Op 2 augustus 1942 werd de Graaf d’Alcantara opgepakt. De officieren werden zonder genade opgepakt en ondervraagd. De Gestapo gaf het bevel allen naar Duitsland af te voeren.

Graaf d’Alcantara werd achtereenvolgens opgesloten in Bochum, Essen, Sonnenburg en uiteindelijk in het concentratiekamp van Sachsenhausen (een wijk in de stad Oranienburg), waar hij stierf in de ziekenboeg. Op de overlijdensakte is er geen echtgenote meer vermeld. Zes dagen na zijn overlijden beviel Prinses Stéphanie van Windisch-Graez te Brussel van een zoon. De vader was Carl-Axel Björklund, waarmee de prinses in 1945 in het huwelijk trad.

Gustave Louis Jeanty Paul +31/1/1945
Sonnenburg (Duitsland) (Slonsk / Polen)

Gustave Louis woonde in de Lequimelaan te Sint-Genesius-Rode. Paul was, samen met zijn echtgenote Hélène Devillers, actief bij de organisatie Zero van het verzet. In 1943 hadden ze een gestrande RAF-piloot onderdak geboden, maar op 6 juli 1943 werden ze betrapt door de Gestapo.

De militaire rechtsbank van de Luftwaffe veroordeelde Paul tot de doodstraf. Maar Helene was op de hoogte van artikel 51 van het Duitse strafwetboek, waarin staat dat als kan worden bewezen dat de persoon of de partner van de misdaad krankzinnig is, de doodstraf wordt onthouden. Helene onderging een hele reeks testen en onderzoeken, maar de Duitse psychiaters werden bij de neus genomen. De doodstraf van Paul werd omgezet tot eeuwigdurende opsluiting en Helene verbleef gedurende bijna twee jaar in krankzinnige gestichten in Duitsland. Later ontdekte ze dat haar echtgenoot, op het einde van de oorlog toch was neergeschoten in het concentratiekamp te Sonnenburg (nu Slonsk in Polen).

Hélène Devillers


Twee dagen voor de bevrijding van het kamp in 1945 door het Rode Leger, werden op 30 en 31 januari 819 gevangen in groepen van 10 met een nekschot geëxecuteerd. Hieronder bevonden zich 26 Belgen, waaronder Gustave Jeanty. Toen het Rode Leger er aankwam troffen ze geen levende gevangenen meer aan. Op 15/11/1946 werden twee grote gemeenschappelijke graven geopend, die de stoffelijke resten bevatten van gevangenen van het concentratiekamp Sonnenburg, die door de Duitsers in 1945 werden gefusilleerd. Men heeft vastgesteld dat de lichamen zich in een vergaande staat van ontbinding bevonden. Ze hadden gevangeniskleren aan en ze droegen geen enkel document bij zich.


Zijn echtgenote Helene begon in 1947 met vrijwilligerswerk bij de Wereldraad der Kerken, waar ze zich bezighield met het grote vluchtelingenprobleem. Hierdoor ontmoette ze haar latere echtgenoot, kanunnik Charles Raven, waarmee ze in 1956 huwde. Charles was de kanunnik van de Britse Koningin. Vanaf dan woonde ze deels te Cambridge en te Brussel. Ze schreef drie biografieën. In 1948 “Certified Sane”, in 1952 “La Peine de Vivre” waarin ze schreef over haar echtgenoot Gustave Jeanty en in 1960 Without Frontiers.

Andere Rodenaars werden nadat ze waren opgepakt opgesloten in de gevangenis en nadien naar een concentratiekamp in Duitsland overgebracht, maar overleefden hun gevangenschap. Onder hen Pierre Belen, Marie Hack, Joseph Hinck, André Jacquemin, Louis Kestemont en Marie Van Riel.

Eén van de ontsnappingsroutes waarlangs geallieerde piloten naar het zuiden van Frankrijk werden gesmokkeld, liep over Sint-Genesius-Rode. Eén van de schuilplaatsen, waar de piloten één of meerdere dagen verstopt werden, bevond zich in de Kwadeplas bij de familie Abrassart. Zo is er een verhaal van de weerstander Maurice De Vroom, van de gerechtelijke politie te Brussel en gehuwd met Marguerite Vandenplas uit Sint-Genesius-Rode. Maurice ging te Soignies een Amerikaanse piloot ophalen, die door de Duitsers was neergehaald. Door zijn werk bij de gerechtelijke politie, viel dit niet echt op. Ze verstopten de piloot in een woning vlak bij de hoeve van de Kwadeplas. Daarna was het de bedoeling dat Maurice de Amerikaan naar Spanje zou brengen, om vandaar naar Engeland te gaan. Maar de avond voor dat ze zouden vertrekken, kreeg Marguerite het bezoek van een collega van haar echtgenoot, die haar kwam melden dat de Duitsers bij de Brusselse politie waren binnengevallen en dat Maurice was verraden. Hij is toen ondergedoken bij de onder-stationschef van Bastogne. Zo bleef de Amerikaanse piloot tot het einde van de oorlog verstopt in Rode.

De Amerikaanse piloot waarvan sprake, was Kapitein Robert Lee Priser. Priser zijn Mustang vliegtuig werd tijdens een missie richting Frankfurt neergeschoten in de buurt van Soignies. Hier het relaas van zijn verhaal wanneer hij na op een paar eerdere schuilplaatsen te hebben verbleven, naar Sint-Genesius-Rode werd ondergebracht:

De ochtend ging voorbij en pas in de middag verscheen er een Brusselse politieagent in burger, Maurice De Vroom, die hem vertelde dat hij hem naar Brussel moest brengen. Hij volgde De Vroom naar het station waar ze kaartjes voor naar de hoofdstad te reizen kochten. Pas als ze alleen in een coupé zaten, vertrouwde De Vroom hem toe dat hij lid was van het verzet.

In Brussel aangekomen ontmoeten ze Paul Liebert die hem naar een huis, in de Louizalaan bracht. De dame des huizes liet Priser binnen, bereide een maaltijd voor hem en vertelde hem dan dat het huis eigendom was van de dokter van de koning en dat hij daar maar één nacht zou blijven.

Maurice De Vroom

Robert Lee Priser

In de middag van de volgende dag verscheen Liebert weer en namen de twee mannen de plaatselijke tram, vol met Duitse soldaten, op weg naar de Kleine Hut, op de Waterloosesteenweg. Ze verlieten de weg, liepen enkele honderd meter en bereikten een villa te Sint-Genesius-Rode, waarvan Liebert hem vertelde dat dit het landhuis was van de dokter van de koning. Robert, de bediende van de dokter, liet hem zijn kamer zien en vertelde hem dat alleen hij, zijn vrouw en een oudere en zieke dame in het huis verbleven. Hij vroeg hem ook om heel voorzichtig te zijn en zich niet te laten zien, omdat het naburige huis het hoofdkwartier was van hoge Duitse officieren en de aangrenzende huizen werden gebruikt als verblijfplaats voor de soldaten.


Kort na zijn aankomst kondigde de BBC de landing in Normandië aan en Priser, die dacht dat zijn vrijlating nabij was, liet zijn plan varen om naar Spanje te vertrekken. Elke twee dagen gingen Robert en zijn vrouw de stad in om spullen te halen en de piloot bracht zijn tijd door met het lezen van boeken, vaak zittend op een veranda aan de achterkant van het huis.


Begin juli, terwijl Priser alleen in huis was, zag hij vanuit het raam van de keukenkelder een bijeenkomst van verschillende Duitse officieren voor het huis. Hij ging snel terug naar zijn kamer en reageerde niet op het herhaalde kloppen op de deur, terwijl hij zich het ergste voorstelde. Het slaan stopte en hij zag zeven soldaten terugkeren naar de naburige villa. Op advies van Robert, die bij zijn terugkeer de gewoonte had om zich voor te doen als een aardige onnozele, om de Duitsers te misleiden, besloot hij te gaan vragen naar de reden van het bezoek en keerde terug met de mededeling dat de Duitse generale staf in feite van plan was om zijn faciliteiten uit te breiden en binnen twee dagen het huis van de dokter op te eisen.



De volgende dag rond het middaguur arriveerde Liebert en begeleidde Priser naar een woning in Sint-Genesius-Rode. Hij werd daar verwelkomd door Albert Abrassart. Abrassart, een zaakvoerder van beroep en lid van het verzet, die Engels sprak en wees hem een ​​kamer achterin, die zijn nieuwe schuilplaats zou worden. De omgeving was vredig en Priser kon zijn benen strekken in het bos.

Tijdens een van zijn wandelingen ontmoette Priser, Marcel Montoisy, de zoon van de boswachter, die eerder door de Gestapo werd opgepakt en naar Duitsland was gestuurd. Marcel kon er ontsnappen en naar Rode terugkeren, al moest hij er zich in het bos verstoppen, in een gat dat hij aan de voet van een grote boom had gegraven.

Omdat het voedsel schaars was en er niet genoeg voedsel gekocht kon worden zonder het risico te lopen de aandacht te trekken, bracht Albert hem naar een boerderij aan de achterkant van een watertoren wat verderop, ongeveer drie kwartier lopen, waar een dame van middelbare leeftijd en haar broer woonden. Deze laatste, een zekere Berckmans, was een actief lid van het verzet en kwam slechts één of twee keer per week naar huis. Priser verbleef er een vijftal weken. Hij luisterde naar de BBC en volgde de voortgang van de geallieerde troepen.


Op de ochtend van 3 september 1944 zag hij door het raam P-47's die beschietingsoperaties uitvoerden op een kruispunt ongeveer 1 km verderop en begreep dat de grondtroepen niet ver weg mochten zijn. 's Middags vertelde Marcel hem dat Britse troepen onderweg waren naar Brussel en vroeg ​​hem om hem te vergezellen om een ​​beruchte collaborateur te arresteren en uit te leveren aan het verzet. Als de missie volbracht was, liepen ze langs een rijbaan die bezaaid was met op de vlucht geslagen Duitse soldaten en kwamen ze aan op de hoofdweg waar een Brits MP het verkeer regelde, evenals colonnes Duitse gevangenen.

Zeer ontroerd nam Priser afscheid van Marcel en vroeg ​​aan de Britse MP hoe hij Brussel kon bereiken. Hiervoor waren geen voertuigen voorzien en de enige mogelijkheid was dat hij wachtte tot de MP werd afgelost en dat deze hem op de motor kon meenemen. Juichend bereikten ze Brussel en pas rond middernacht arriveerden de twee mannen op het Britse hoofdkwartier waar Priser kon overnachten.


De volgende dag reed een Britse officier hem, nog steeds feestvierend, door Brussel naar een groot park waar ongeveer zestig andere vluchtelingen waren verzameld, waaronder enkele Amerikanen.

Vanuit Brussel werden de vluchtelingen per vrachtwagen meegenomen voor een tweedaagse reis naar Normandië en op 9 september ging Bob Priser aan boord van een C-47 die hem terugbracht naar Engeland.

 

Bij Antoine Craps in het Bronweg verbleven enige tijd de Amerikaanse piloten Raymond Junkin, Harold Smith en Benjamin Ochart, die met hun vliegtuig te Chimay waren gecrasht.


Yvonne Guillemin maakte in de periode augustus 1942 - oktober 1943 deel uit van de verzetsgroep Comète onder de schuilnaam Yvette. Ze werd gearresteerd in de Pyreneeën toen ze de RAF-flight sergeant Forster Hope Stanley, die in december 1942 gecrasht was, naar Spanje trachtte te brengen. Yvonne verbleef in gevangenschap van 6/2/1943 tot 24/4/1945 in het concentratiekamp te Mauthausen in Oostenrijk. Na de oorlog verbleef Yvonne wegens haar slechte gezondheidstoestand, enige tijd, in een ziekenhuis te Montana in Zwitserland.

De Jodenvervolging


Op 4 augustus 1942 vertrok de eerste trein met bijna 1000 Joden, vanuit de Dossinkazerne te Mechelen, in de richting van Auschwitz. Het laatste konvooi XXVI vertrok op 31 juli 1944. Het aantal gedode Joden uit België zou ten minste 28.947 bedragen. Sommige Joden waren tijdens de Tweede Wereldoorlog ondergedoken in Sint-Genesius-Rode.


Henri Cornet en Madeleine Degrelle woonden in de Trilpopulierenlaan in de villa “La Ribambelle”. In 2017 verscheen het boek van Simone Korkus “Het dienstmeisje van Degrelle. Hoe Hannah Nadel de oorlog overleefde”. Dit boek beschrijft het verhaal van Hanna Gnasic (Nadel) die tijdens de oorlog als Joods meisje, kwam werken bij de familie Cornet. In de speelkamer van de kinderen had ze eerst insignes van de rexistische partij aangetroffen, vervolgens een portret van Rex-leider Léon Degrelle zelf. Toen Henri Cornet, Hannah onomwonden naar haar afkomst vroeg, kon ze niet langer ontkennen. Henri vertelde haar dat zijn vrouw, Madeleine, de zus was van Léon Degrelle. Maar dat ze gebroken hadden met het rexisme toen de Jodenhaat daar almaar ergere proporties aannam. ‘‘Je bent hier veilig'', zei hij. Ook Hanna’s nichtje Tony Ehrich werd later eveneens in La Ribambelle aangenomen en even later toen de familie Cornet een nieuwe kokkin zocht, kwam ook moeder Havah in dienst.

Boekomslag

Hannah heeft op 91-jarige leeftijd een getuigenverklaring afgelegd bij Yad Vashem en Madeleine en Henri Cornet voorgedragen voor de Rechtvaardigen onder de Volkeren.

Henri en Madeleine Cornet

Hannah Nadel

In juli 1942 ontboden de Duitsers Georges Tran, oorspronkelijk afkomstig uit Polen en woonachtig in Brussel, naar het kamp Dossin in Mechelen. Hij kende Emma Ruppol, hoofd van het farmacologisch onderzoekslaboratorium aan de Universiteit Leuven, waar Tran hoopte te studeren. Toen ze hoorde van Georges nood, verwees ze hem, zijn tweelingzus Ally en hun ouders door naar haar moeder Jeanne Masy, een bejaarde weduwe die alleen woonde in Sint-Genesius-Rode. Oorspronkelijk wilde Jeanne helpen door de familie Tran twee weken in huis te nemen. Ze verstopte hen echter vijfentwintig maanden lang op zolder. Een moedige daad, daar ze in de Trilpopulierenlaan woonde, een straat die midden in de wijk lag waar meerdere Duitse officieren verbleven. Op een dag kwamen de Duitsers op zoek naar fietsen, maar toen ze zagen dat er maar één oude vrouw in huis was, doorzochten ze de eerste verdieping en de kelder, maar namen niet de moeite om naar boven te gaan. Niemand wist van de ondergedoken Joden, behalve moeder en dochter Emma. Op 27 mei 1997 erkende Yad Vashem Jeanne Masy als Rechtvaardige onder de Volkeren.

Verplichte tewerkstelling in Duitsland


215 Rodenaren werden er achterhaald die tijdens de oorlog, vrijwillig of gedwongen, in Duitsland hebben gewerkt.

Op 6 oktober 1942 werd de verplichte tewerkstelling in Duitsland ingevoerd. Vooral achttien- tot vijventwintigjarigen waren het mikpunt. Niet iedereen voelde zich geroepen om ergens in Duitse fabrieken de Duitse oorlogsinspanning te Steunen. Te Rode, net als elders, doken ettelijke personen onder. Toen trad de Gestapo in actie. Zelfs ’s nachts werden de mensen uit hun bed gehaald om uitleg te geven over een ondergedoken familielid. Sommige verstekelingen werden toch gesnapt en direct ingerekend en naar Duitsland overgebracht.


Jan Nekkebroek weigerde gevolg te geven aan het oproepingsbevel maar hij werd opgepakt bij een razzia en weggevoerd naar Luckenwalde, een industriezone ten zuiden van Berlijn. Hij werd als draaier tewerkgesteld bij de Krupp en de Norddeutsche Maschinenfabrik. De stalags waarin ze verbleven lagen dichtbij de industriezone. Niet zonder gevaar want de bombardementen van de geallieerden waren gericht op deze fabrieken. Jean verbleef er van ongeveer begin 1943 tot eind april 1945. Hij leerde er Frans en Duits spreken en genoot er van een technische vorming die hem later in zijn beroepsleven nog zou van pas komen. Oorlogsburgemeester Jan Fellemans schreef een brief naar de kommandierender Stab om Jean naar huis te laten komen omdat zijn moeder (zogezegd) op sterven lag. Dit werd aanvaard en eind juni 1944 kon hij even naar huis. Een gelegenheid om zijn lief Jeanne nog eens terug te zien. Hij keerde terug naar Luckenwalde maar de levensomstandigheden waren vanaf dan niet benijdenswaardig, het einde van de oorlog was in zicht. Vanaf februari 1945 werd er door de geallieerden onafgebroken gebombardeerd op Berlijn. Een Amerikaanse bommenwerper stortte eind april neer in de nabijheid van hun stalag. ’s Morgens stelden ze vast dat de bewakers verdwenen waren en de fabrieken verlaten waren. Ze beslisten om naar België terug te keren. Er waren geen treinen maar ook geen controles, ze stapten langs de spoorweg richting Keulen en kruisten Amerikaanse en Britse soldaten die richting Berlijn gingen. Onderweg namen ze een goederentrein naar hun thuisland. Na twee jaar was Jean eindelijk terug thuis.

Verlofpas van Jan op 23/6/1944 om zijn zieke moeder te bezoeken

Crash van de bommenwerper Lancaster KB710-VR-W op 13 mei 1944


Op 13 mei 1944 werd de bommenwerper Lancaster KB710-VR-W neergehaald en crachte aan de Drève de Colipain, achter de vijvers van Zevenbronnen, in Sint-Genesius-Rode. De plaats van de crach was vlak bij de grens met Dworp en Brane-l’Alleud, maar werd op Rode geregistreerd.


Eenmaal de Britse bommenwerpers zich boven Leuven van hun lading ontdaan hadden, bleven ze nog even verder vliegen om boven Beauvechain een koers richting Braine-le-Château in te zetten.


De Duitser Martin Drewes cirkelde in de zone "Blindschleiche". Voor hij het goed en wel besefte was hij terechtgekomen in de bommenwerpersstroom van Lancasters en Halifaxes die huiswaarts vlogen. Behoedzaam schoof Drewes zijn Messerschmitt Bf 110 onder de buik van de bommenwerper en vanop een vijftigtal meter opende hij het vuur. Drewes eerste slachtoffer die nacht vatte meteen vuur en dook naar omlaag. Hij bezegelde zo het lot van de Lancaster VR-W en haar bemanning (6 Canadezen en 1 Brit) die langsheen de Drève Colipain, in Sint-Genesius-Rode te pletter stortte. Aan boord van de "VR-W", een Lancaster van 419 Squadron, zou niemand aan de dood ontsnappen.


Terwijl een Duits Bergungskommando de lichamen borg en ze naar Evere bracht, werden op de basis van het 419 Squadron de eerste brieven naar de getroffen families gestuurd. De familie van Walter Finlayson, de bommenrichter, kreeg een schrijven van Wing Commander Pleasance, gedateerd 16 mei 1944: "Uw zoon nam aan 16 succesvolle operaties tegen de vijand deel gedurende de 2 1/2 maand dat hij bij ons in het squadron was. Hij bewees een uitstekende bommenrichter te zijn die met grote vastberadenheid zijn piloot instructies gaf bij het maneuvreren van het vliegtuig en dit ondanks hevig vijandelijk afweervuur. Hij was eerder een rustige kerel, die erg gelukkig leek en erg populair was bij de mensen die hem leerden kennen". De enige Brit aan boord was Ronald Bull, de boordmeccano. Tijdens zijn laatste verlofperiode had hij zijn verloofde Doris bezocht om de laatste voorbereidingen te treffen voor hun huwelijk. Die 13e mei 's middags, het moment dat Rons lichaam geborgen werd aan de Drève Colipain te Sint-Genesius-Rode, kwamen zijn moeder en zuster langs bij de toekomstige bruid Doris, die trots haar bruidskleed toonde. Op het moment dat ze de witte jurk aan had, werd er op de deur geklopt. Het was een boodschapper met het telegram dat Ronald vermist was.


De bemanningsleden van de te Sint-Genesius-Rode neergestorte Lancaster werden op 16 mei te Evere begraven.

De bevrijding


In de ochtend van 6 juni 1944 werden de Duitsers geconfronteerd, met de landing van Normandië. De grootste gecombineerde amfibische en luchtlandingsoperatie in de geschiedenis. Een paar dagen later kwam Charles Hanchar, die in de Geevaertweg woonde, op 13 juni te Avesnes-les-Aubert (Frankrijk) om het leven.


Charles die sinds eind 1942 deel uitmaakte van de FBGB Forces Belges in Groot-Brittannië, ging op 9 juni 1943 in dienst bij de RAF Belgian section. Charles, die de schuilnaam “Youdant” had, kwam om het leven toen hij met het 408 Squadron betrokken was bij een raid op Cambrai in Noord-Frankrijk. De Duitse luchtaas Heinz Schnaufer schoot bij Avesnes-les-Aubert de Avro Lancaster BII DS772-EQ-T- neer. Charles Hanchar was één van de twee boordschutters en werd te Evere begraven op het Belgisch ereperk de vliegers. Op 4 september 2005 werd te Avesnes-les-Aubert een gedenksteen onthuld ter ere van de twee Belgische boordschutters van dit toestel.

Charles Hanchar

Terwijl in Normandië in de zomermaanden op leven en dood werd gevochten, deed het oorlogsgeweld ook nog even Sint-Genesius-Rode aan. Op vrijdag 1 september 1944, rond 10 uur, stopte er in het stadion van Rode een van Brussel komende Duitse militaire trein, volgeladen met wapens en munitie en bewaakt door talrijke soldaten. Blijkbaar werd hij in het Zuidstation op een slecht spoor geplaatst en in de verkeerde richting gezonden. Maar was het wel een vergissing, of was het een sluwheid van de weerstand?

Zo bleef de munitietrein stilstaan te Rode, toen plotseling drie geallieerde vliegtuigen (Engelse Spitfires) het konvooi zwaar onder vuur namen. Vele Duitse soldaten bleven liggen en één van hen werd letterlijk aan stukken gehakt en stierf op de stoep voor de afspanning van de herberg Au duc de Brabant.


De laatste wagon was aan het branden en op ieder ogenblik kon de hele trein opgeblazen worden en met de trein de hele stations wijk. Een Duitse officier gaf het bevel aan zijn mannen om de wagon los te maken, maar geen enkele durfde te gehoorzamen. Zo ging hij zelf, op het spoor geholpen door enkele soldaten, aangemoedigd door zijn kranige houding en lukte erin de wagon verder te duwen, omringd door vuur en vlam. Het ergste werd vermeden, maar enkele minuten later explodeerde de wagon en vlogen de projectielen van alle aard met een danige kracht de lucht.


Het had nog veel erger kunnen aflopen had de Duitse officier niet tijdig een wagon van de trein kunnen loskoppelen. Door zijn moedige houding redde hij het leven van zijn soldaten, maar ook het leven van vele mensen in de buurt. De Duitse officier werd ’s anderdaags door enkele Rodenaren opgemerkt en had bij zijn daad zelf verschillende verwondingen opgelopen

De treinwagons na het bombardement

Eind augustus begonnen de Duitsers de aftocht en op 2 september overschreden de geallieerde troepen de Belgische grens.

De laatste Duitse soldaten die begin september, met paard en kar, Rode verlieten langs de Zoniënwoudlaan

De volgende dag stond de bevolking van Rode klaar om de bevrijder uitbundig toe te juichen. Langs de BBC-radio werd het oprukken van de geallieerden op de voet gevolgd. De laatste Duitsers vluchten uit Rode weg. Enige tijd later was het zover. Op zondag 3 september reden lange colonnes Engelse soldaten, komende uit de richting van Halle, het dorp van Rode binnen en werden in de Dorpstraat en de Stationsstraat luidruchtig toegejuicht. Velen dansten op de straat en weenden van vreugde.

 Engelse legervoertuigen op 3 september 1944 in het centrum van Rode

In de nacht van zondag 3 september op maandag 4 september 1944, de eerste nacht na de bevrijding van Rode, liet de tweeëntwintigjarige Gonzague Henry de Frahan uit Sint-Pieters-Woluwe, bij een opdracht van het verzet het leven te Sint-Genesius-Rode. Dit gebeurde in het Waterloos veld, waar hij door een paar verscholen Duitse soldaten onder vuur werd genomen.

 

Enkele personen, die door de Witte Brigades als collaborateurs werden beschouwd, werden aan het gemeentehuis samengedreven waar zij door de samengetroepte menigte werden uitgejouwd. ’s Maandags, toen het gemeentehuis door leden van de Witte Brigades nog steeds was bezet, trok nog er een Duitse Tigertank voorbij. Een inwoner van de Stationsstraat die het pantservoertuig in de verte had opgemerkt en meende dat het een geallieerde tank gold, liep met een grote bloemtuil in het midden van de straat. Groot was zijn ontzetting toen hij vaststelde dat het een zwaarbewapende Duitse tank gold die als laatste de aftocht blies.

Burgemeester George Straete met schepenen Etienne Rolin en Gustave Swaelens op zondag 3 september met de Belgische vlaggen op het balkon van het gemeentehuis

De uitbundige Rodense bevolking voor het gemeentehuis op 3 september 1944

De oorlogsburgemeester Jan Fellemans moest de plaats ruimen voor Georges Straete die in 1938 wettelijk was verkozen. Op 22 oktober 1944 gaf burgemeester Straete in de gemeenteraad het relaas van zijn afzetting. Jan Fellemans was meubelfabrikant en leraar aan de vakschool, hij was burgemeester tijdens de oorlog in de periode 1942-1944. Hij werd samen met zogenaamde andere collaborateurs publiekelijk vernederd op het balkon van het gemeentehuis. Volgens de toen 11-jarige Rodenaar Paul Joly werden Fellemans en anderen er bekogeld met rotte tomaten en ander fraais. Sommigen waren toen zo geschokt dat ze meteen weggingen. Volgens sommige bronnen zou Fellemans helemaal geen collaborateur zijn geweest. Hij waarschuwde zelfs als er controle van de Gestapo op komst was. Maar in die tijd werden flaminganten te vaak en ten onrechte geassocieerd met de nazi's.

Alfons Depessemier tussen twee Engelse militairen

Enkele geallieerde techniekers in Rode

Zijn echtgenote Rosa met enkele Canadese soldaten

Collaboratie met de vijand en repressie


Er waren immers vier verschillende vormen van collaboratie geweest, politieke, militaire, economische collaboratie en verklikking. Politieke collaboratie bevatte o.a. lid zijn van het VNV of De Vlag. Militaire collaboratie omvatte elk wapen- en uniformdracht in dienst van de vijand. Lid zijn geweest van de Waffen-SS, de Vlaamse Wacht, de Fabriekswacht en andere collaborerende organisaties. Een economische collaborateur was iemand die als leverancier met de Duitsers had samengewerkt. Kleine ondernemingen, zelfstandigen en de vrijwilligers die in Duitsland gingen werken.

 

Veroordeelden uit Sint-Genesius-Rode: Sommige veroordeelden durfden na hun daden of veroordeling niet meer terug naar hun woonplaats te gaan. Vandaar dat er verschillen zijn tussen de geboorteplaats en de woonplaats. 97 veroordeelden werden teruggevonden in het Belgisch Staatsblad.

Type van collaboratie

Geboren in SGR, maar er niet meer woonachtig

Geboren en woonachtig in SGR

Niet geboren in SGR maar er woonachtig

Totaal

Militaire

10

12

21

43

Verklikking

5

5

1

11

Economische

2

1

4

7

Politieke

5

9

22

36

TOTAAL




97

Tabel met het aantal veroordeelden voor collaboratie

Zevenmaal werd de collaborateur veroordeeld tot de doodstraf. Driemaal voor iemand die in Sint-Genesius-Rode was geboren en viermaal voor iemand die elders was geboren, maar woonachtig was te Sint-Genesius-Rode. Na de Tweede Wereldoorlog werden er 242 executies uitgevoerd van collaborateurs. De zeven uit Sint-Genesius-Rode waren hier niet bij en hun straf werd omgezet tot levenslange gevangenisstraf, maar kwamen na het verkrijgen van amnestie nog redelijk vlug vrij.

Het einde


In december 1944 poogden de Duitsers in hun Ardennenoffensief tevergeefs een “Wunder im Westen” te forceren en de haven van Antwerpen te heroveren. Hierbij kwam Hubert Scholler, die in de Kastanjeboomlaan woonde, op 13 januari 1945 te Waimes om het leven.


Hubert was Lieutenant Agent de Renseignement et d’Action (ARA), Agent van Inlichtings- en Actiedienst (IAA). Luitenant Scholler was een van de eerste agenten van de verzetsgroep Athos die gespecialiseerd was in militaire spionage en vooral in het stelen van documenten in de Duitse kantoren. Hubert die perfect de Duitse taal machtig was, werd na de bevrijding van België verbonden aan de 2esectie van de Generale staf van het leger en op speciale missie gezonden in de sector van het 1eAmerikaanse leger of hij passeerde meermaals de linies om beslag te leggen op belangrijke inlichtingen. Op 13 januari 1945 vertrok hij met een radio en een andere agent van de verzetsgroep Athos om te Saint-Vith een permanente spionagepost te bewerkstelligen. Saint-Vith lag midden in het centrum van het Ardennenoffensief. Hij werd te Waimes (Weismes) betrapt en afgemaakt alvorens zijn missie te kunnen volbrengen.


Op vrijdag 24 oktober 1947 werd het stoffelijk overschot van Hubert vanuit Waimes, waar hij sinds zijn overlijden tijdelijk lag begraven, naar het gemeentehuis van Sint-Genesius-Rode overgebracht, waar de raadszaal was omgebouwd tot een rouwkapel. ’s Anderdaags werd de overledene met een imposante rouwstoet naar de kerk van de Onze-Lieve-Vrouw Oorzaak Onzer Blijdschap aan de Middenhut gebracht. In de rouwstoet waren er leden van Athos, de schoolkinderen, een delegatie van de Rijkswacht waar Hubert carrière had gemaakt. Om 11 uur begon de rouwdienst. Er waren vertegenwoordigers van de nationale defensie, van het Amerikaanse leger, de gemeenteraad van Sint-Genesius-Rode en delegaties van verschillende verzetsbewegingen.

Na de dienst werd Hubert overgebracht naar zijn laatste rustplaats op de gemeentelijke begraafplaats, waar hij werd bijgezet op het perk met de gesneuvelde soldaten. Na een laatste eerbetuiging van zijn strijdmakker bij de verzetsgroep Athos de Kapitein Freddy, wiens echte naam André Moyen was, kreeg Hubert Scholler er nog postuum het Ridderkruis in de Orde van Leopold met palm en het Oorlogskruis 1940 met palm.

 

Op 30 april 1945 pleegde Hitler zelfmoord in zijn Berlijnse bunker. De overgave werd getekend op 7 mei 1945 en s ’anderdaags werd het nieuws bekend gemaakt. In Rusland gebeurde dit pas op 9 mei.

De oorlog tussen Amerika en Japan ging nog even door. Op 6 augustus 1945 viel de eerste atoombom in Hiroshima en drie dagen later een tweede atoombom op Nagasaki. Op 2 september 1945 capituleerde Japan en was de Tweede Wereldoorlog definitief voorbij.

 

Na de oorlog verbleven er 40.000 Duitse krijgsgevangenen in België. Deze gevangenen werden voor 1 juli 1947 terug naar huis gestuurd. Er werden Duitse krijgsgevangenen te werk gesteld op het Hof Vankeerberghen en het Hof ten Hout. Eén ervan wilde volstrekt hier blijven uit schrik voor de Russen. Een andere omdat hij de oudste was van een doodarm gezin van zeven kinderen.

De liefde gevonden bij een geallieerde soldaat


Meerdere vrouwen uit Sint-Genesius-Rode traden na de bevrijding in het huwelijk met een geallieerde soldaat:

  • 19/12/1944: Marcel Robidoux (Sergeant-Majoor, Royal Engineers, Canadees leger) huwde met Félicie Paten.

  • 26/3/1945: Joseph Gauvin (Soldaat, Canadees leger) huwde met Yvonne Moens.

  • 17/6/1945: Jean Chagnon (Sergeant, Canadees leger) huwde met Jeanne Faignoy.

  • 16/8/1945: Joseph Dejardin (Soldaat, Canadees leger) huwde met Catharina Balle.

  • 25/8/1945: Joseph Heppel (Soldaat, Royal Canadian Engineers, Canadees leger) huwde met Isabella Ghirlanda.

  • 1/9/1945: James Gauchier (Soldaat, Canadees leger) huwde met Maria Louckx.

  • 31/10/1945: Albert Pauze (Soldaat, Canadees leger) huwde met Marie Mattheys.

  • 21/11/1945: Eldon Buckler (Soldaat, Canadees leger) huwde met Marie Dolet.

  • 13/3/1946: Joseph Monette (Soldaat, Canadese expeditieleger) huwde met Jacqueline Suzanne Laridon.

  • 10/6/1946: William Rogerson (Kapitein, Britse leger) huwde met Marie Deschamps.

Feest voor de overwinning zaterdag 21 juli 1945

De oorlogsslachtoffers van de Tweede Wereldoorlog op het monument op het dorpsplein van Sint-Genesius-Rode

De graven van de gesneuvelde soldaten van de Tweede Wereldoorlog op de begraafplaats van Sint-Genesius-Rode: Charles Stevenson, Hubert Scholler, Marcel Renaer, Robert Swalens (geboortejaar werd foutief aangebracht, het was 1915) en Jules Springael