Tekst geschreven door: Marc Hindrijckx

Thematische foto van het Belgische leger in 1914.
Op 23 juli 1914 kondigde de Belgische regering een gedeeltelijke en op 31 juli de algemene mobilisatie af. In de nacht van 31 juli luidden de kerkklokken plots te Rode en de dienstplichtigen van de klassen 1901-1909 kregen bevel dadelijk hun militaire verzamelplaats te vervoegen.
De soldaten zelf zagen er niet bepaald manhaftig uit. De meesten droegen een versleten linnen broek, een veel te nauwe vest, zondagsschoenen en hoofddeksel die geen enkele bescherming gaven. Aan deze kakafonie kwam in de tweede helft van 1915 een einde toen er werd overgeschakeld naar nieuwe uniformen en helmen in kaki kleuren. De Adrianhelm hielp het aantal hoofblessures verminderen.
Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak bleef België neutraal. Duitse troepen bezetten echter vrij snel Luxemburg, waarna men in België bezorgd werd over een mogelijke Duitse aanval. Op 4 augustus 1914 viel het Duitse Leger België binnen. De vesting Luik, bestaande uit een cirkelvormig geheel van twaalf forten op zowat acht kilometer van de stadskern blokkeerde hun geplande opmars via Noord-België naar Frankrijk.
Op 5 augustus 1914 deden de Duitsers een aanval op de oostelijke forten van Luik. Jacques Heymans, uit de Terheydestraat en Henri Swalens, uit de Kerkstraat, waren de eerste Rodenaren die het leven lieten op 6 augustus 1914.


Op 9 augustus 1914 werd de gemeenteraad van Sint-Genesius-Rode bij hoogdringendheid door het schepencollege bijeengeroepen. In een geheime vergadering wees de burgemeester er op dat meerdere militairen van de gemeente hun eenheid hadden vervoegd, zodat veel vrouwen en kinderen aan hun lot (en zonder steun) waren overgelaten. Temeer daar een groot aantal vrouwen werkloos waren. Als de oorlog enige tijd zou duren zou de miserie zeer groot zijn. Om dit te verhelpen stelde burgemeester Van Rossum voor, een som in reserve te houden, om uit te delen aan de behoeftigen van zodra de nood het hoogst was.

Het Rodense gemeentebestuur met Burgemeester Van Rossum (6de van rechts)
Op 16 augustus 1914 was de rol van de vesting Luik uitgespeeld alsook de forten rond Namen. Theodore Figeys sneuvelde op 13 augustus en Prosper Clerens, uit de Nieuwstraat vijf dagen later.
Op 23 augustus kwam Jean François Kestemont uit Rode, die te Dinant als kelner werkte om het leven, nadat hij samen met 115 anderen, aan de Mur du Jardin Tschoffen door de Duisters, bij een vergeldingsactie, werd gefusilleerd.
Op 18 augustus 1914 besliste de koning het veldleger terug te trekken binnen de fortengordel van de vesting Antwerpen.
Er liep ook in Sint-Genesius-Rode het gerucht dat de Duitsers al de mannen tot 50 jaar meenamen. Een algemene paniek maakte zich van de bevolking meester. De meesten verloren er hun hoofd bij en lieten alles onberedeneerd in de steek en gingen op de vlucht. Langzaam bedaarde de paniek en keerden de afgematte vluchtelingen, ’s avonds of ‘s anderdaags beteuterd naar huis terug. Wie door de ene of andere omstandigheid thuis was gebleven, hing de held uit en bespotte de andere.
In augustus kwamen er te Rode 110 vluchtelingen aan, vooral uit West-Vlaanderen, die hier gehuisvest werden in leegstaande huizen en aan wie de inwoners huisraad schonken. Onder hen ook het gezin van Charles Gryson en Maria Baert uit Geluwe. Op 27 september 1919 werd hun jongste, van de 14 kinderen, Albert hier geboren. Na de oorlog keerden ze terug naar hun streek en vestigden zich in Wervik.
Op 28 september 1914 begon het beleg van Antwerpen. Op 5 oktober konden de Duitsers de Nete bij Lier oversteken.
Op 6 oktober ’s morgens moesten de verdedigers zich terugtrekken naar de binnenste fortengordel. Siméon Bilterijst liet op 6 oktober het leven in het bos van Lisp.
Laat in de middag van 6 oktober kreeg het veldleger bevel zich via het Waasland terug te trekken. De Belgische en Engelse autoriteiten beslisten gezamenlijk dat het Belgische Veldleger en de Britse troepen de vesting zouden verlaten. Zowat 33.000 Belgische soldaten, vooral vestingtroepen, trokken naar Nederland om krijgsgevangenschap te vermijden. Ze werden er ontwapend en gedurende vier jaar geïnterneerd.
Soldaten uit Rode en Alsemberg in 1914 in het interneringskamp van Amersfoort in Nederland.
Wanneer duidelijk werd dat Antwerpen ontzetten uitgesloten was, besliste koning Albert het Belgische Leger verder terug te trekken tot de uiterste Westhoek van België, de streek tussen de IJzer en de Franse grens. De aftocht van het Belgische leger verliep langs de weg en per trein. Wat nog van het Belgische leger overbleef, bereikte op 14 oktober de Westhoek.
De rivier de IJzer vormde tijdens de Eerste Wereldoorlog een stuk van de frontlijn en was het tafereel van een stellingenoorlog met loopgraven, waarbij de Belgische en Duitse legers zich langs de beide kanten van de rivier hadden ingegraven. Het Belgische leger kon hier na de Slag om de IJzer in 1914 de rest van de oorlog standhouden na inundatie van een deel van de IJzervlakte, op voorstel van de Veurnse onderzoeksrechter en met medewerking van o.a. Karel Cogge en Hendrik Geeraert en vooral ook de latere inwoner van Sint-Genesius-Rode Robert Thys.

Herdenkingsbord in Nieuwpoort waarop kapitein Thys wordt vermeld.
In november 1914 liep de bewegingsoorlog ten einde. Langs de beide kanten van de IJzer groeven de legers zich in. De loopgravenoorlog zou nog drie en half jaar duren. Bijna heel het Belgisch grondgebied ging voor vier jaar over in handen van de bezetter. België zou bestuurd worden door een gouverneur-generaal, een militair bestuur dat naast zich een Duits burgerlijk bestuur had. Op gemeentelijk niveau bleven de burgemeester, de schepenen en de gemeenteraadsleden hun functie waarnemen, doch hun autonomie werd vanzelfsprekend sterk beknot. De gemeentelijke politie stond onder toezicht van de Kreischefs en was verplicht met de Duitse politie en de Duitse troepen samen te werken om de orde te handhaven.


Robert Thys
Uitzicht op de Yser
Robert Thys woonde na de oorlog in de Ahornlaan te Sint-Genesius-Rode. Hij werd ook eigenaar van het Hof te Landsrode in de Heukenweg aan de Sint-Annalaan te Rode.
Bij het begin van de oorlog was hij aanvankelijk gemobiliseerd in de Antwerpse fortengordel. Daarna verbleef hij aan de IJzer. Daar was hij als Kapitein bij de Compagnie Sapeurs-Pontonniers van de Genie, één van de sleutelfiguren bij de onderwaterzetting eind 1914 tot eind 1917. Om gezondheidsredenen werd hij overgeplaatst naar de spoorwegen van Congo.
De Duitsers verboden de Rodenaren om hun dorp te verlaten. Enkel op vertoon van een pas mocht je buiten een bepaalde zone gaan. Zolang de oorlog duurde moesten de mannen tussen 17 en 35 jaar zich maandelijks gaan melden bij de Duitse overheid op het gemeentehuis te Bosvoorde.
In 1917 leek het nog eventjes of België toch de oorlog zou verliezen. Aan het Belgische front wierp de taalstrijd een schaduw op het Belgische leger. Vlaamse soldaten werden geleid door Franstalige Waalse officieren, zonder kans op promotie. Vlaamse graven werden in het Frans gesteld. De Vlaamse soldaten verenigden zich in studiegroepen, maar toen deze door de commandanten werden verboden begonnen de Vlamingen te muiten. Pas na verbetering van hun situatie besloten de Vlaamse soldaten weer te vechten.
Alles wel beschouwd verliep de oorlog voor onze streek nog bedenkelijk rustig. Zelden zag men hier een Duitse soldaat en in elk geval was er hier geen slagveld.
Net voor de wapenstilstand plunderden de Duitsers ook Sint-Genesius-Rode. De inwoners waren verplicht Duitsers te huisvesten. Net voor ze zich terugtrokken eisten ze alles op wat ze konden en lieten ze een puinhoop achter. De Rodenaren moesten eten en zelfs kleding afgeven. De Duitse soldaten wisten dat ze naar een thuisland terugkeerden waar honger en chaos heerste.
Volgende Rodenaren lieten het leven tijdens de vierjarige wacht aan de IJzer:
Henri Petit (+21/10/1914), Jean Marchal (+17/10/1914 Beverdijk), François Degreef (+30/10/1914 Ramskapelle), Jean François Tondeur (+21/3/1915 Kaaskerke), Jean Baptiste Peetroons (+27/4/1915 Kaaskerke), Pierre Fabri (+4/10/1915 Kaaskerke), Antoine Mosselmans (+29/6/1916 Kaaskerke), Jacques De Spiegeleer (+29/6/1917 Gijverinkhove)
Gesneuvelden tijdens het eindoffensief:
Joseph Wielemans (+28/9/1918 Nieuwpoort), Jean Baptiste Hannaert (29/9/1918 Westrozebeke), François Sermon (+1/10/01918 Moorslede), Pierre Vandergucht (+4/10/1918 Zarren), Jean Baptiste Lonbois (+7/10/1918 Adinkerke), Jean Baptiste Hannon (+16/10/1918 Beveren aan de IJzer), Pierre Michiels (+28/10/1918 Bonsecours / Frankrijk), Louis Keyaerts (+1/11/1918 Guemps / Frankrijk), Jean Pierre Maes (+9/11/1918 Sint-Michiels)
Deze Rodenaren overleden als krijgsgevangene in Duitsland:
Jean Baptiste Swaelens (+18/6/1915 Niederzwehren), Jean Baptiste De Bremaeker (+7/51916 Soltau), Jean Baptiste Vandenplasch (+10/6/1917 Bülheim), Pierre Willekens (+29/10/1918 Altengrow)
Na het eindoffensief, ging de wapenstilstand in om 11 uur op 11 november 1918. Aan alle geallieerde offensieven kwam een eind. De Duitsers marcheerden af richting Duitsland.
De oorlogsslachtoffers van de Eerste Wereldoorlog op het monument op het dorpsplein van Sint-Genesius-Rode
Deze vindt u door op de groene knop de drukken.


Bij het uitbreken van de oorlog was E.H. Hermans pastoor te Rode, maar hij overleed nog in de loop van 1914. Op 22 februari 1915 werd hij opgevolgd door pastoor Magosse uit Overijse. Deze schreef na de oorlog een uitgebreid verslag over zijn parochie tijdens de eerste wereldoorlog. In die periode was er in Rode, naast de Sint-Genesius parochie, enkel de Sint-Barbara parochie in De Hoek. De parochie in de Middenhut kwam er pas in 1930 en die van Ten Broek in 1952.
Klooster - Gemeentelijke collectie
© 2020 - 2025 - Deze website is een burgerinitiatief dat door de gemeente Sint-Genesius-Rode ondersteund is.